In deze serie lichten we elke maand een tipje van de sluier op over het creatieve werk van Roze Stadsdorpers dat in het najaar te zien zal zijn. Deze maand, in de categorie schilderen, illustreren en grafiek, Gerard Vroon (70, illustrator en beeldend kunstenaar)

 

Gerard Vroon (foto Hugo Lingeman)

 

Het mocht

Vanaf dat ik van de Rietveld kwam maak ik illustraties, schilderijen en grafiek. Meestal schilder ik met olieverf. Illustraties doe ik met pen en inkt, of gouache, grafiek met hout- en linosnedes en gelly plate-prints.

Ik ben een beetje een ‘valsspeler’ in deze RSA-expositie, maar ik heb netjes gevraagd of ik als professional mee mocht doen, en het mocht. Ik vind het altijd erg leuk om mijn werk te laten zien, anders staat het hier maar. In galerieën, dokterspraktijken en buurthuizen exposeer ik ook, ik voel me nergens te goed voor, en zo probeer ik werk te verkopen.

 

Walhalla

Met het maken van illustraties in eindeloze hoeveelheden schoolboeken voor educatieve uitgeverijen heb ik mijn brood verdiend. Dat liep altijd wel, ik heb genoeg opdrachten kunnen binnenhalen al was acquisitie zeker niet mijn favoriete bezigheid. Nu krijg ik AOW, een walhalla voor mij: elke maand komt er gewoon geld binnen. Ik vind het geweldig dat we dat hier in Nederland zo geregeld hebben. Af en toe werk ik nog in opdracht, maar op een laag pitje, geen deadlines meer, heerlijk. Ik kan nu veel tijd besteden aan vrij werk.

 

Toen was de keuze snel gemaakt

Vroeger was ik een teken-kind en wilde ik iets met tekenen worden. Ik had twee broers die goed konden leren. Dat kon ik ook wel, maar ik blonk uit in tekenen. Op de middelbare school had ik het geluk een bevlogen tekenlerares te hebben die tegen mijn tweelingbroer en mij zei: ‘Jullie moeten naar de kunstacademie.’ Mijn broer koos voor de PA. Mevrouw de Rijk stoomde mij klaar voor de Rietveld en overtuigde ook mijn ouders dat ik daarheen moest. Zij waren vooral bang dat ik er de kost niet mee verdienen kon. Ik moest toelatingsexamen doen. Voor de zekerheid deed ik dat ook maar voor de lerarenopleiding, dan kon ik leraar tekenen worden. Ik werd toegelaten voor beide opleidingen en toen was de keuze snel gemaakt. Dan kom je op de Rietveld en blijk je bij de middenmoot te horen. Maar ik heb er een mooie tijd gehad en vrienden voor het leven gemaakt. Toen ik klaar was ben ik toch nog, terwijl ik al opdrachten had, in de avonduren naar de Rijksacademie gegaan, een hele prettige aanvulling op de Rietveld. In die tijd – vijftig jaar geleden – waren die kunstacademies heel conventionele opleidingen. Je leerde alle technieken en kreeg materiaalkennis, maar waarom je iets maakte was nooit een vraag. Een paar jaar nadat ik afgestudeerd was is de Rietveld een echt kunstinstituut geworden: je was al kunstenaar als je erop kwam, en het ging om het uitwerken van ideeën. Ik vind het wel jammer dat wij nooit leerden formuleren waarom wij dingen maakten en wat je er nou eigenlijk mee wilde uitdrukken, maar ik ben ook blij met de degelijke opleiding die ik gekregen heb.

 

Alles was weg

Ik heb altijd heel veel ideeën gehad om dingen te maken. Maar toen mijn vriend Joop vijf jaar geleden doodging, was dit niet alleen een cesuur in mijn gewone leven, ik kon ook niet meer schilderen. Alles was weg, het was zo ingrijpend: wat is er nog de moeite waard?

Ik dacht wel: dit is zo belangrijk in mijn leven, ik ga er iets over maken. Dat heb ik later ook gedaan in de vorm van grafiek. Heel blij ben ik ermee. Het was de eerste keer dat ik dacht: dit komt echt uit mijn tenen, dit is noodzaak. Ik heb de werken onlangs in een tentoonstelling laten zien, er was veel belangstelling voor, mensen wilden ze kopen, maar ik wil ze niet kwijt. Het merkwaardige is dat ik vóór Joops dood al eerder een schilderijenreeks over dood en verlies gemaakt had, ik dacht dat ik dat wel kon. Maar, rouw, ik wist niet hoe dat was, nu wel.

 

Grafiek ‘Ontferm je over mij zoals vanouds’ uit de serie ‘Welkom in mijn getsemanee’

 

Het spreekt voor zichzelf

Van mijn andere werk kan ik niet zo goed zeggen waarom ik maak wat ik maak. Ik raak vaak geïnspireerd door teksten, een verhaal, een gedicht, een woord. Of een beeld, een krantenfoto, heel breed. Maar ik denk niet: ik ga nu het onrecht in de wereld onderzoeken of zoiets.

Het mooiste van beeldende kunst vind ik eigenlijk dat het voor zichzelf spreekt. Iemand gaat ervoor staan en maakt er zelf zijn verhaal bij, geeft er zijn eigen betekenis aan. Als kunstenaar maak ik iets met mijn verleden en mijn ervaringen, ik kan er niet van uitgaan dat iemand anders dat zomaar oppikt, dat mijn werk iets met iemand doet. De dingen die ik na Joop’s dood gemaakt heb brengen duidelijk over wat ik wil uitdrukken: verdriet, rouw, troost zoeken. Dat herkennen mensen en dat heb ik niet eerder op die manier ervaren bij mijn werk.

 

Zelf een basis vinden

Als je met z’n tweeën bent, doe je alles daarvanuit, dat is je basis. Nu moet ik zelf een basis vinden. Gelukkig ben ik op de goede weg, ik vind het leven weer leuk worden.

Bij het Roze Stadsdorp ben ik door Bart gekomen, we zaten samen in een rouwgroep. Ik wist niet dat het bestond. Ik ga naar de borrel, doe mee aan de fiets- en wandelclubs en heb al aardig wat nieuwe mensen leren kennen, heel leuk.

Ik zit ook nog in een groep Ph’Art: Philosophy & Art. Een losse groep kunstenmakers die eens in de zoveel jaar rondom de gedachten en levens van denkers en filosofen een expositie maakt. Ieder kiest zijn eigen invalsboek. Eind augustus doen we Kafka. Daar ben ik nu mee bezig.

 

Gerard met een werk in wording (foto Hugo Lingeman)